Pelgrimstocht

De laatste van de 5 zuilen is de hajj, oftewel de heilige pelgrimage naar Mekka en omgeving. Elke moslim moet één keer in zijn leven deze reis hebben gemaakt als deze de financiële middelen en gezondheid die hiervoor benodigd zijn bezit. De pelgrimstoch wordt elk jaar in de twaalfde maand (Dhul Hijjah) van de Islamitische maankalender gehouden.

Honderdduizenden moslims volbrengen elk jaar de pelgrimstocht. De reis begint meestal in Jeddah, een stad nabij Mekka. Op de luchthaven van deze stad is een speciale terminal gebouwd om de ruim 1,8 miljoen (2010) pelgrimgangers te verwerken die vanuit de hele wereld met honderden gecharterde vliegtuigen arriveren. De pelgrims maken dan hun weg naar Mekka. Maar voordat ze daar aankomen moeten zij zich op speciale plaatsen ritueel wassen (Wudu) om een staat van spirituele reinheid (Ihraam) te bereiken. Daarna moeten de pelgrimsgangers zich verkleden in voorschreven kleding. Mannen dragen een witte, ongenaaide doek (Ehram) om hun schouder, een soort toga. Vrouwen dragen eenvoudige kleding met bescheiden kleuren. De gedachte achter deze kledingvoorschriften is dat alle pelgrimgangers voor Allah staan en dus geen verschil tussen rijk en arm hoort te zijn.

Hierna vervolgen de pelgrimsgangers hun weg naar Mekka (alleen toegankelijk voor moslims, zie hierboven) waar het eerste ritueel begint: de ‘tawaaf’. Dit ritueel speelt zich af in de Al-Masjid Al-Haram (rechts) wat de Grote Moskee van Mekka is. In deze moskee bevindt zich de “Ka’aba”, een kubusvormig gebouw dat bekleed is met een zwarte, fluwele doek waar met gouddraad de verzen van de Koran in zijn gestikt. De Ka’aba (rechtsonder) wordt ookwel het ‘Huis van God’ genoemd (Arabisch: ‘Bayt Allah’) en is het centrale heiligdom van de islam (Moslims bidden in de richting van de ka’aba). Er wordt 7 keer om het gebouw gelopen terwijl er smeekbeden worden uitgeroepen.

Hierna volgt de si’a, de pelgrims lopen 7 keer tussen twee heuvels, de Safa en Marwah, zoals Hagar dat had gedaan om water te zoeken voor haar zoon Ismaïl nadat haar man Ibrahim (Abraham) haar had verlaten. De engel Djibriel zou toen zijn verschenen en had Hagar naar een bron geleid die zij ‘Zamzam’ noemde. Het water uit deze bron wordt door vele pelgrims gedronken.

Vervolgens gaan de pelgrims naar de Vlakte van Arafat. Hier komen de pelgrims tot bezinning. Ze verblijven tot zonsondergang op deze plek waar Mohammed zijn laatste preek zou hebben gehouden tijdens de zogenaamde ‘vaarwel-bedevaart’. Het bezoek aan deze plek wordt gezien als hét hoogtepunt van de Hajj.

Hierna keren de pelgrims terug naar Mina. Onderweg verzameld elke moslim 49 steentjes. Deze worden later gebruikt bij de ‘jambrah’, de rituele stening van de duivel. De duivel zou Ibrahim hebben verleid om niet naar Allah te luisteren wanneer deze hem vroeg zijn zoon Ismaïl te offeren. De duivel wordt gesymboliseerd door 3 zuilen. Hier worden door de moslims dan ook miljoenen steentjes tegen aan gegooid. Om veiligheidsredenen zijn de pilaren in 2004 vervangen door muren.

Daarna is het tijd voor het Offerfeest (Eid Al Adha), het einde van de hadj. Hiermee wordt herdacht dat God Ismaïl vlak voor het offerden door Ibrahim verving door een schaap. Nu worden kamelen, schapen en runderen geslacht en het vlees wordt verdeeld onder de pelgrimgangers.

De pelgrims hebben de hajj voltooid, wat een groot gevoel van bevrediging achterlaat. Het voltooien van de hajj geldt als een soort ‘bevestiging’ voor hun geloof (Iman). De moslims hebben één van de belangrijkste verplichtingen van de islam vervuld en mogen zich een ‘Hadji’, noemen. Iemand die de pelgrimstocht naar Mekka heeft voltooid.